vrijdag 12 april 2019

Vrouw in het ambt en masculiniteit



De discussie over vrouwen in het ambt in de GKv en de opstelling van het ambt op de laatste Generale Synode komt naar mijn idee niet uit de lucht vallen. Maar pas na de stelling van Paul Maxwell dat de Amerikaanse cultuur van de evangelicals (dat is niet wat wij in Nederland onder evangelisch verstaan, maar in de Engelssprekende wereld dat wat zich als protestants en bijbelgetrouw beschouwt, van gereformeerd tot hypercharismatisch) geen plaats meer bood voor masculiene/mannelijke eigenschappen kon ik verder denken over de GKv. Mocht je trouwens een degelijke kritiek op het filmpje van Maxwell willen hebben - Maxwell is wat kort door de bocht - kijk dan de kritiek van Alastair Roberts en meer kritiek van Alastair Roberts. Ik denk dat Roberts' denken over gender/sekse in het kader van het huishouden als afspiegeling van Christus en de Kerk vruchtbaarder is, zeker omdat ik vermoed dat dit prima kan worden gekoppeld aan het cultuurmandaat-denken van Klaas Schilder. Maar dat zal ooit een andere post moeten worden.

Maxwell ziet een beta-mannen cultuur in de Amerikaanse kerken, dat is een cultuur waarin verdraagzaamheid (agreeableness) en zachtaardigheid (tendermindedness) worden gezien als belangrijke eigenschappen. Maar dit trekt niet de alpha-mannen aan, in een mannencultuur staat assertiviteit en openheid voor ideeën en zelfvertrouwen centraal. Helemaal uit de lucht gegrepen is dit niet. In een onderzoek, dat Maxwel o.a. aanhaalt, komt inderdaad naar voren dat het een intercultureel fenomeen is dat bepaalde karaktereigenschappen worden gezien als mannelijk of vrouwelijk. Als je mannen en vrouwen uit verschillende culturen over de hele wereld vraagt of ze bepaalde eigenschappen mannelijk of vrouwelijk vindt, blijkt zelfs dat in westerse culturen, waarin progressieve ideologieën met ditto rolverdeling voor man en vrouw, de verschillen zelfs meer worden benadrukt.

Er zijn dus karaktereigenschappen die min of meer universeel worden gezien als mannelijk of vrouwelijk. Vrouwen staan meer open voor esthetiek, gevoelens en acties, maar mannen naar ideeën. Vrouwen zoeken eerder naar het gemeenschappelijke en zijn meer groepsdenkers, mannen zijn assertiever en zijn bereid tot meer risico's. Mijn punt is dat ik de vraag wil opwerpen in hoeverre de spiritualiteit in de GKv de laatste paar jaren meer en meer overeen begon te komen met vrouwelijke eigenschappen. Of we niet kunnen zeggen dat de kleur van het geloof in de GKv vervrouwelijkt is in de loop van de jaren. Ik merkte namelijk in de laatste paar jaar in de GKv een neiging in de prediking om de nadruk te leggen op inclusiviteit en kwetsbaarheid, terwijl de liturgie ook steeds meer verritualiseerd werd en alles 'mooi' moest worden gevonden. Zeker de kindmomenten met de zogenaamde parel-theologie. En predikanten spraken zich steeds minder tegen iets uit (tenzij het tegen Wilders of een ander makkelijk en veilig iets was om tegen te zijn). Koppel hierbij ook de waarneming dat de Vierde Musketier een beweging was buiten de kerken en expliciet is geformuleerd om iets te bieden wat er in de kerk niet te vinden is (los van de vraag hoe de Vierde Musketier mannelijkheid beschouwt en uitdraagt).

Ik heb de sterke indruk dat de spiritualiteit in de GKv in de laatste paar jaren is vervrouwelijkt. En dat binnen deze sfeer niet meer dan logisch is dat vrouwen tot het ambt worden toegelaten, daar het ambt tot op zekere hoogte een belichaming is van de spiritualiteit binnen de kerk en als zodanig ook een voorbeeldfunctie heeft.

Nu zal in eerdere tijden ook de spiritualiteit in de kerken een mannelijkere kleur hebben gehad toen exclusief mannen tot het ambt werden geroepen. Maar naar mijn idee bood dat meer plaats voor vrouwen dan mannen nu krijgen in een vervrouwelijkte kerk, alleen al vanwege de rol van (impliciete) kritische theorie in het vervrouwelijken van ambt en spiritualiteit. Maar ook dat is weer een een andere blog voor ooit. In ieder geval is een goede tweede vraag of het verschil in spiritualiteit te merken is in de CGK, waarin de vraag naar de vrouwen in het ambt weer de kop opstak.

vrijdag 5 april 2019

Christus Victor en Christologie

In hoeverre is de voorkeur voor de Christus Victor-verzoeningsleer een anti-traditionele theologie, desondanks het claimt de traditie aan zijn kant te hebben? Deze vraag spookte door mijn hoofd tijdens het lezen van de Nederlandse vertaling De Christelijke Verzoeningsgedachte van Gustaf Auléns boek Christus Victor. Deze vraag treedt met name naar voren omdat een van de belangrijkste bezwaren van Aulén tegen de theologie van Anselmus van Canterbury is dat de verzoening alleen naar de menselijke natuur van Christus geschiedt. In eerdere visie op de verzoening die Aulén weergeeft werd deze vraag niet gesteld en was de hele verzoening een handeling van God. Doordat Anselmus in zijn boek Cur Deus Homo stelt dat de verzoening van God en wereld alleen geschiedt door de menselijke natuur van Jezus, is het verzoeningswerk geen doorgaande en ongebroken handeling Gods meer. Hiermee legt Anselmus de grondstructuur van de verzoeningsleer in de Westerse kerk:
De volgende gedachten treden nu vooral naar voren: dat de satisfactie het centrale in de verzoening is, dat deze tot standkomt in en door den dood van Christus, dat de satisfactorische handeling allereerst een werk is van de  - zondelooze - menschelijke ,,natuur'' van Christus en dat dit werk van de menschelijke natuur een verhoogde meritorische waarde krijgt op grond van het feit, dat bij Christus de menschelijke natuur vereenigd is met het goddelijke. (blz. 96)
Waar ik nu de vinger op wil leggen is dat Aulén het een probleem vindt dat genoegdoening alleen gebeurt op grond van de menselijke natuur, zoals ook vraag en antwoord 16 van de Heidelbergse Catechismus uiteenzet. Deze constructie verwijt een gebrek aan "organisch verband tusschen Christologie en verzoeningsleer" (blz. 133). Wat uit zijn lezing van Anselmus wel kan kloppen, hij interpreteert Cur Deus Homo als een rationele behandeling van de verzoening los van incarnatie. En juist het Christus Victor motief, zoals dat bij Irenaeus uiteenwordt gezet, benadrukt de organische samenhang tussen incarnatie en verzoening.[1]

En juist dit christologisch punt maakt de anti-traditionele houding van Aulén duidelijk. Wat hij in zijn beoordeling niet meeneemt is de bezinning op de christologie die vanaf Irenaeus in de tweede eeuw nog verder ging. Irenaeus schreef tegen gnostici en benadrukte dat Christus echt God en echt mens was. Hierna werd na gedacht welke woorden en concepten recht deden aan deze geloofsuitspraken. Hoe was Christus echt God en echt mens? En de theologische bezinning aan de hand het afwijzen van de ketterijen van Apollinarus, Nestorius en Eutychus ging door over deze vraag tot uiteindelijk het concilie van Chalcedon in 451 een leerstellige verklaring opstelde over hoe in de ene persoon van Jezus Christus een menselijke en een goddelijke natuur verenigde, ongemengd en onveranderd, ongedeeld en ongescheiden.[2]

Juist de definitie van Chalcedon is de grond voor het onderscheid dat Anselmus maakt, 800-900 jaar later dan Irenaeus, tussen de menselijke en de goddelijke natuur als grond voor de genoegdoening in de verzoening van God en mens. Het vergelijken van Irenaeus en Anselmus is niet het vergelijken van twee naast elkaar staande opties, maar twee momenten in dezelfde discussie, waarin beide eigensoortige vragen probeert te beantwoorden. Het is in principe zelfs mogelijk dat Anselmus worstelt met de vragen die opgeroepen wordt door de antwoorden van Irenaeus. Het is simpelweg niet mogelijk om een stuk traditie overboord te zetten zonder te verantwoorden over de vragen die dat stuk traditie behandelde. Het maakt niet uit of deze verantwoording bestaat in het aantonen dat de discussie feitelijk irrelevant was of dat het gewoon niet klopte en fout was, dit is allebei een vorm van interactie.

Anselmus onderscheid in de werken van Christus of deze naar de menselijke of naar de goddelijke natuur verwijzen. Terecht, naar mijn oordeel, omdat de grond van de handeling niet de uitvoerder van de handeling is, die volgens de Chalcedonische formulering één is. Ik zie ook niet in waarom een werk naar de menselijke natuur geen handeling van God meer zou impliceren. Juist de belijdenis van Chalcedon houdt de naturen dicht bij de persoon. Maar wie deze discussie niet wil voeren en wil blijven vasthouden aan een eerder moment in de traditie, zoals Aulén impliciet doet in zijn werk, is naar mijn idee anti-traditioneel en niet traditioneel.

_____
[1] Los van de vraag of dit een correcte lezing van Cur Deus Homo is. Zie daarvoor Sonderegger - 'Anselm, Defensor Fidei' in International Journal of Systematic Theology (9) #3 (2007), 342-359.
[2] Voor een kort overzicht, zie Van Genderen - Oriëntatie in de Dogmageschiedenis (Zoetermeer: Boekencentrum, 1996), hoofdstuk 4.

maandag 18 maart 2019

Antifragiel Christendom

Hoe kan je de kleur van de spiritualiteit van de Bijbel in een woord vatten? Welk woord kenmerkt het geloof van een christen? Geïnspireerd door de filosoof Nassim Nicholas Taleb kies ik tegen de trend om het woord kwetsbaarheid een grote plaats te geven in het geloof, en ga ik voor het neologisme antifragiel.

In zijn boek Antifragile doet Taleb uit de doeken wat hij hiermee eigenlijk bedoelt. Antifragiliteit is het tegenover gestelde van fragiliteit en kwetsbaarheid, maar het verschilt ook weer van robustheid of onkwetsbaarheid. Stel je voor dat je een vaas inpakt en per post verstuurt. Er hoeft weinig te gebeuren of de vaas breekt, de vaas is kwetsbaar en daarom wordt de vaas ingepakt met bubbeltjesplastic, piepschuim of gewikkeld in papier om schokken op te vangen zodat kwetsbare vaas niet breekt. Zo kan je pakketje tegen een stootje, al moet je het niet te gek maken. Stel je voor dat je een baksteen wilt versturen. Een baksteen hoeft alleen maar een papiertje erom heen. Maar een baksteen kan prima tegen stoten, het maakt niet uit of hij valt en je kan rustig een baksteen heen en weer schudden zonder dat hij hierdoor schade oploopt. De vaas is kwetsbaar, de baksteen onkwetsbaar. De vaas loopt bij de minste of geringste stoot of druk schade op, de baksteen loopt bij grotere druk en stevigere stoten geen schade op. Toch zijn deze niet tegenovergesteld aan elkaar.



Wat werkelijk het tegenovergestelde zou zijn van fragiel, is dat een item niet snel schade oploopt door druk of stoten, maar dat het item er beter van wordt als ermee wordt gegooid of tegenaan geslagen wordt. De druk van buitenaf zorgt niet voor schade, maar het tegenovergestelde van schade, verbetering. De baksteen is ongevoelig voor druk van buitenaf en veranderd er niet door. De vaas lijdt schade door de druk van buitenaf. Een antifragiel voorwerp haalt winst uit druk door buitenaf.

Dit sluit aan bij wat een christen leert uit de Bijbel over zichzelf en zijn geloof. Een christen mag geloven dat deze meer dan overwinnaar is en dat God hem zo bewaart, dat zonder de wil van zijn hemelse vader geen haar van zijn hoofd kan vallen, ja zelfs zo, dat alles dienen moet tot zijn heil. Zelfs sterven is uiteindelijk winst en voor de kerk mag weten dat verdrukking volharding uitwerkt, en de volharding beproefdheid en de beproefdheid hoop. Kortom de antifragiliteit van een christen betekent dat druk van buitenaf en opgelopen schade voordeel oplevert.

Toch is in sommige situaties kwetsbaarheid in zekere zin al een vorm van antifragiliteit, maar dan op een passief-agressieve manier. Ik heb dat wel regelmatig meegemaakt dat iemand iets over zichzelf vertelde. Mensen om mij heen reageerde hierop met vertellen dat het mooi was dat die persoon zich zo open en kwetsbaar opstelde, ongeacht of het goed, waar of spiritueel gezond was (in het ergste geval). Stel dat ik nou eens opstond en zei dat ik wat die eprsoon zei niet goed, niet waar of niet spiritueel gezond was. Hoe zou de schade ontvangen worden bij de kwetsbare persoon en bij mij? De persoon die zich kwetsbaar opstelde, ontvangt direct de sympathie van de groep en gaat er feitelijk op vooruit. De groep zal zich daarentegen naar mij toe negatief opstellen en hier op een of andere manier consequenties aan verbinden die voor mij nadelig zijn. Dit kan afkeuring zijn, of een negatieve reputatie in de groep. Misschien word ik zelfs verzocht om de groep te verlaten of word ik uitgelegd wat de regels zijn binnen de groep.

Uiteindelijk blijkt in ieder geval de kwetsbaarheid van de spreker helemaal geen kwetsbaarheid te zijn, maar antifragiliteit. Er zit een paradoxale werking in je kwetsbaar opstellen, wie dit doet zorgt voor een win-win situatie voor zichzelf. Mocht niemand druk van buitenaf opvoeren, dan is er waardering omdat kwetsbaarheid een modewoord is. Mocht iemand wel druk uitoefenen dan is deze schade misschien niet prettig, maar wel tot voordeel. Maar toch zou ik liever geen antifragiliteit zien op deze passief-agressieve manier. Taleb helpt om te formuleren hoe antifragiliteit kan werken in het leven en het geloof van een christen en het vormgeven van een antifragiel christendom.

________________________________
Photo by Samuel Zeller on Unsplash

vrijdag 22 februari 2019

De grondslag van de prediking in de GKv



Ds. Van der Wolf heeft in Weerklank 9 (nov. 2018) een artikel geschreven over de grondslag van de prediking. Let op, het gaat hier om de grondslag, niet om de inhoud. De grondslag van de prediking is het waarom van de prediking, het uitgangspunt, het grondbeginsel en het diepste principe. We hebben dus te maken met een technische term in de homiletiek of de predikkunde.[i]

De grondslag voor de prediking is de liefde van God in Jezus Christus. Deze liefde moet verkondigd worden, om de mensen tot bekering en geloof in Christus, de gekruisigde te roepen (DL I, 3). Het is het welbehagen van God: “Nu heeft het God behaagd zijn genadewerk in ons te beginnen door de prediking van het evangelie. Ik heb het woordje “behaagd” gecursiveerd omdat het dit woord is dat de grondslag voor de prediking vormt. En wat is het behagen van God anders dan de “liefde, waardoor hij zijn eniggeboren Zoon gevonden heeft, opdat een ieder die het gelooft niet verloren gaat, maar eeuwig leeft”? [cursivering van Van der Wolf dus]

Hierna betoogt hij dat het hierin vaak verkeerd is gegaan in de GKv:

De nadruk op het beloftekarakter van het evangelie heeft namelijk als gevolg, dat de belofte samenvalt met de verkiezing. Zolang de belofte maar gepreekt werd, werd het verkiezend welbehagen Gods de hoorder ‘aangezegd’. Ook in preken binnen de GKV is een ineenvloeien van verbond en verkiezing op te merken. Niet de eis, maar de belofte is daar zo over-geaccentueerd dat de noodzaak tot bekering op den duur welhaast plaats moest maken voor het evangelie van de overwinning. Als neveneffect daarvan is de leer over de kerk allesbeheersend geworden. Want daar komen de mensen samen die de belofte ontvangen. Daar wil God zijn en daar wil God zijn evangelie verkondigen. Het is de moeite waard om op dit punt meer onderzoek te doen. De ontwikkeling en de daarmee samenhangende verschuiving van verkiezing – verbond – belofte – kerk zie je naar mijn overtuiging vandaag in de opvatting over de kerk binnen de kerken als die van de DGK terug. De kerk die de belofte ontvangt is de verbondsgemeente die verkoren is. Maar dat Gods liefde in Christus de grondslag is, is dan ver uit beeld verdwenen. Op dit punt is nadere bezinning en studie heel erg nodig.

Nou, laat mij dan een klein stukje studie bijdragen. Laatst kwam ik in een schrijven van Prof. J. Douma uit 2001 namelijk een stukje tegen dat inderdaad lijkt te bevestigen dat er impliciet van wordt uitgegaan dat de grondslag voor de prediking het verbond is. In zijn boek Hoe gaan wij verder? vraagt Douma zich af of in twee toen net verschenen publicaties over homiletiek de hoorders konden worden getypeerd als "'aangevochten Godzoekers' die in de Godsverduistering van het alledaagse leven staan." Waar het mij om gaat is dat hij het niet eens is met deze typering van de hoorder in de toenmalige vrijgemaakte kerken:

In haar evangelisatie richt de kerk zich tot buitenstaanders, tot hen die vreemd zijn aan of vervreemd zijn van God en zijn dienst. Maar het publiek waar wij het nú over hebben, zit in de kerk. En daarvan kan gezegd worden: 'Er is gedoopt! Wij allen zijn verbonden, het voorgeslacht, de ouders die hier stonden, de ganse kerk in één geloof' (Liedboek, Gez. 335, 9) Dat is de kerk in haar verbond met God, als lichaam van Christus en één in haar geloof. Als deze kerk te typeren zou zijn als een gezelschap van aangevochten Godzoekers, dan zou zij haar missionaire kracht reeds kwijt zijn. [ii]

Hierin wordt naar mijn idee duidelijk dat er een impliciete formulering van de grond voor de prediking is, namelijk het verbond. Als er gepreekt moet worden, is dat omdat er een verzameling verbondsdeelnemers is. Daarom kan de evangelisatie ook geen onderdeel zijn van de prediking. als er al sprake is van onderscheidend preken, is dit dus onderscheiden in binnen en buiten de kerk. Als de grondslag van de prediking de liefde van Christus is, zou dit onderscheid wegvallen en niet bepaald zijn door de kerkleer. 

Naar mijn idee is waar Van der Wolf bij bepaald werd niet uit de lucht gegrepen als het de GKv betreft omstreeks het jaar 2000. Hoe het bij de DGK zit weet ik niet. Maar op dit onderwerp in het algemeen is meer studie en bezinning inderdaad nodigs.


[i] Dit moet benadrukt worden, zeker nu er al een paar keer achter elkaar op de website van Een in Waarheid wordt gesuggereerd dat Van der Wolf zegt dat de liefde van Christus afwezig is in de prediking van de DGK. Dat wordt er helemaal niet beweerd. Zie ook voor een verwant onderwerp in de Nederlandse Amerikaanse kringen vorige eeuw over de aanbieding van het evangelie Clark, R. Scott. ‘Janus, the Well-Meant Offer of the Gospel, and Westminster Theology’, in: David VanDrunen (ed.), The Pattern of Sound Words: A Festschrift for Robert B. Strimple (Phillipsburg: P&R Publishing, 2004), 149–80. Hierin wordt Klaas Schilder ook genoemd, maar in Nederland is de discussie voornamelijk bekend rondom de vorming van de GerGem in Nederland en de theologie van Dr. C. Steenblok.
[ii] Douma, J. Hoe gaan wij nu verder? (Kampen: Kok, 2001), 85-86.

vrijdag 1 februari 2019

Review: Zonderschuld

Zonderschuld Zonderschuld by Mattias Rouw
My rating: 0 of 5 stars

En dan heb je deze briefwisseling gelezen als ras-calvinist met een strak dogmatisch denkwerk (p. 110). En vanuit theologisch opzicht valt er een hoop te zeggen over wat Mattias Rouw schrijft. Zeker omdat meerdere reformatoren zich lieten kennen als paleo-orthodox en de Reformatie meer continuïteit kent met de 1500 voorafgaande jaren christendom dan in Zonderschuld wordt gesuggereerd. Theologisch-inhoudelijk vind ik dan ook de weergave van de geschiedenis van het christendom niet heel sterk. En naar mijn idee wordt te makkelijk voorbij gegaan aan het feit dat Anselmus van Canterbury een volop orthodoxe godsleer uitwerkte en toepaste op de verzoeningsleer. En hier kom je ook op het verschil met de oudere Christus Victor verzoeningsleer en de hedendaagse opleving daarvan. De laatste gaat vaak gepaard met een gods- en triniteitsleer die niet helemaal orthodox is en vaak gepaard gaat met open theïsme. Het is echt genuanceerder dan dat mensen op een gegeven moment in de geschiedenis vanwege de mode het geloof in rationele systemen begonnen te proppen. En dan dan beginnen we nog niet eens over de bijbelteksten die meespelen in deze zaken...

Maar goed, de discussie lijkt helemaal niet te gaan over de verzoeningsleer per se, ook al besteden beide heren er wat woorden aan in de brieven. Feitelijk gaat het over heiliging en ascese. En hoe dit iemand ruimte en richting geeft in het dagelijks leven bij iemand bij wie soms het geloof gestagneerd lijkt. Want zoals ik het lees is Peter van Dijk ergens met een verhaspeling tussen rechtvaardiging en heiliging (in de gebruikelijke gereformeerde termen) in de knoop geraakt. En dat is mooi om te lezen en een verdienste van de heren dat ze dat in het boek eerlijk en persoonlijk uitwerken. Voor iemand die zelf preekt is het confronterend om te lezen dat Van Dijk vaak de ervaring heeft gehad dat de preken die hij meemaakte vooral over theologische vragen ging, en niet zijn vragen (p. 45). Ook het feit dat hij deze vragen en problemen heeft terwijl hij toch voor zover ik weet in confessioneel kerkgenootschap kerkte. Niet dat ik hem hierop wil afbranden, zeker niet, ik had dit alleen niet zo verwacht. Dat vind ik wel de grote waarde van dit boek. Het is eerlijke feedback van een christen die je niet zo vaak tegenkomt, laat staan zo uitgewerkt. En het zet mij aan het denken hoe ik brieven zou hebben geschreven.

Conclusie; een boek dat behoorlijk tegen mijn gereformeerde haren instrijkt, maar wel degelijk boeit en nog meer stimuleert om na te denken.

View all my reviews

maandag 7 januari 2019

“Wantrouw de media en val elkaar nooit in het openbaar af”

Kerkgangers & ZuilenbouwersKerkgangers & Zuilenbouwers by Dr. Sid Lukkassen
My rating: 3 of 5 stars

“Wantrouw de media en val elkaar nooit in het openbaar af”

Aangetrokken door de titel Kerkgangers en Zuilenbouwers waagde ik mij aan het boek van Sid Lukkassen om mijn gedachtes daarover min of meer reviewend weer te kunnen geven. Als theoloog, één met affiniteit met de neocalvinistische traditie, was ik direct geïnteresseerd.

Ik kwam ongeveer tien jaar geleden in de restanten van de toen net doodverklaarde vrijgemaakte minizuil, maar bevond mij nog wel in een groep mensen die verzuilder waren en dachten dan ze zelf doorhadden. Ook heb ik mij met het fenomeen verzuiling beziggehouden vanuit de geschiedenis van het kerkelijk landschap van de vorige twee eeuwen. De naam Sid Lukkassen had ik wel eens voorbij zien komen, maar nooit iets van gelezen of gezien. Wat betreft politiek en maatschappelijke discussie beschouw ik mijzelf meer als een van de stillen in den lande. Desondanks was ik geprikkeld en besloot het boek te lezen en te kijken of Lukkassen mij kon overtuigen zich bij zijn nieuwe kerk te voegen of op te laten nemen in zijn zuil...

Lees de hele review op Novini.nl

View all my reviews on Goodreads

vrijdag 14 december 2018

Luther lezen in 2019


Goed nieuws voor mensen die nog een goed voornemen zoeken voor 2019. Ik heb een leesrooster kunnen maken voor Luther Verzameld. Deze selectie van werken van Luther in twee banden, kan je dus in nog geen jaar tijd doorlezen met slechts ongeveer vijf pagina's per dag. En dat vijf dagen in de week.

Ik ga dit werk doornemen in 2019, mocht je mee willen doen, laat het me even weten. Als er meerdere mensen dit jaar meelezen, is het nuttig om hier eventueel een Facebookgroep voor op te zetten of een andere manier te zoeken om het gelezene te bespreken met elkaar. 

Tolle, Lege, Prehende!*



*Neem, lees, download!